Indische mensen
kunnen soms urenlang praten over niets anders dan eten. Over de beste manier om Gado-Gadosaus te bereiden, de fijnste smaakmakers voor de Guléh Kambing of de lekkerste vissoort voor pèpèsan. De buitenstaander luistert er naar en een glimlach maar nauwelijks onderdrukken. “Waar maken ze zich druk over, zo belangrijk is het toch niet “. Maar voor Indische mensen is het eten altijd een heel belangrijk onderwerp geweest. Hoe komt dat toch? Ik heb het me dikwijls afgevraagd. Hoewel ik al op heel jonge leeftijd naar ben gekomen, ken ik het verschijnsel maar al te goed van mijn ouders, hun vrienden, broers en zussen. De gezellige zondagen thuis met veel krontcong- ( Indonesische ) en hawaïmuziek en vooral met veel hapjes en drankjes ik me nog goed herinnneren. En het “ ngobrollen , gezellig babbelen, keuvelen “, over eten natuurlijk.” Wat lekker, hoe heb je dat klaargemaakt? Oh, doe jij dat zo. Ik gebruik altijd ……”De belangstelling voor het eten is me dus van kindsaf bijgebracht, zozeer zelfs dat het mijn vak is geworden. Ik schrijf erover, geef kookcursussen en verzorg catering. En nu pas begin ik in te zien waarom vooral oudere Indische mensen het altijd over eten hebben. Ik zie mijn ouders langzaam oud worden en met hen de laatste generatie die werkelijk nog vertellen over Indië, het land waarin zij opgroeiden en waarvan zij noodgedwongen afscheid moesten nemen. Ik realiseer me nu pas dat het etenvoor hen één van de weinige mogelijkheden is waarin zij hun cultuur wezenlijk kunnen beleven. Indië was een eetland en Indonesië is dat ook nog steeds. Maar eten was nooit alleen Makanan saja, “ eten om het eten, alleen maar eten “. Voor de Indische kinderen, de generatie van mijn ouders, was het ook een inwijding in levenskunst en sociale omgang. Gezelligheid, gastvrijheid, het altijd rekenen op gasten die even kwamen mampiren, langsgaan, op bezoek gaan en móesten aanschuiven, meegenieten van het avondmaal of anders wel van kleine lekkernijen, zoals Kwee Lapis en een groot glas Cendol. Een veelheid van smaken en geuren thuis, maar vooral ook op straat, daarvan was Indië doordrongen. En ongeacht hun sociale afkomst hadden de kinderen van de rijke ” totok “, volbloed Hollander, en de kleine bung, letterlijk broer, ( met kleine bung wordt vooral de armere Indo-Europeaan bedoeld die in een niet Europese wijk ( kampung ) woonde – die in de kampung woonde met elkaar gemeen dat zij omringd werden door gastvrijheid, zorg en belangstelling voor het eten en een vanzelfsprekende houding om te delen van wat je hebt. En natuurlijk de vele mogelijkheden om op straat je ” lekkere trek ” te stillen. En zelfs wanneer je van je ouders persé niet op straat mocht eten, omdat dat niet hoorde voor een net Europees kind, zelfs dan dééd je het gewoon. want sommigen dingen hou je niet tegen, integendeel. Juist omdat het je verboden werd. smaakte de Dodol Durèn extra lekker.
Vandaar dat oudere mensen die in Indië opgroeiden, het altijd over eten hebben. Maar er is meer, het gaat ook om wat het praten over eten, het proeven van de smaken en het ruiken van de geuren kunnen oproepen. Over alle heerlijkheden die men zich dan weer kan herinneren, zoals Rujak van jonge mangga, Nasi Pecil uit een pincuh, van bananenblad gevouwen bordje, pakketje van pisangblad, tahu petis en daarbij de lekkerste drankjes of ijsjes als Es Seterop Susu of Dawet. En vooral de herinnering daaromheen : het warungstalletje achter je huis, het klepperend geluid van de tukang bami ( bamiverkoper ), de versjes die de borondong garing – verkoper riep om zijn waren te slijten ( hij vente een soort popcorn ). En ook gaat het om de figuren van de straat die jarenlang deel uitmaakten van je jeugd, zoals Topoh die op Genteng in Surabaja zijn es-pasrah verkocht. Van 1920 tot 1935 was zijn warung de ontmoetingsplaats voor middelbare scholieren en een hele generatie Surabajanen zich deze figuur nog levendig voor de geest halen. En al die jaren in Nederland heeft deze oudere generatie van Indische mensen met zorg het eten bereid en op tafel gebracht en met anderen daarover gepraat. En was dan samen heel even weer kind. En zo kon ik me via dat eten, de gezelligheid en de gesprekken daaromheen een beeld vormen van hun kindertijd.
Ach, dit alles is wellicht niet zo belangrijk voor u. Maar ik vond het leuk om het te vertellen, als een kleine ” hormat ” ( eerbewijs ) aan een generatie die ik liefheb. Een andere herinnering die bij mij opkwam bij het schrijven van dit boek : de allereerste versie ervan was, jaren geleden, mijn eerst boek bij uitgeverij Kosmos. Ik ben Jacques Meerman, de toenmalige uitgever, nog steeds dankbaar voor zijn vertrouwen. Dit boek bevat een selectie van lekkernijen uit dat Indische verleden. Geen gerechten voor de maaltijd, maar kleine hapjes en drankjes voor tussendoor. Voor uw gasten, maar zeker ook voor uzelf of uw gezin. Als u Indisch bent, of anderszins banden hebt met Indië of Indonesië , kunt u de meeste gerechten ervan wel thuisbrengen. En misschien roepen deze lekkernijen ook bij u wel goede herinneringen op. Aan uw kindertijd wellicht, omdat u net als ik bent opgegroeid in een Indisch milieu. Of aan een vakantie in dat prachtig land, want ook in het nieuwe Indonesië blijft eten wezenlijk onderdeel van het leven uitmaken. Misschien hebt u al ervaring met het bereiden van Indische gerechten. Maar ook wanneer u dat niet hebt, hoeft u zich niet te laten afschrikken door de soms moeilijk klinkende namen. Ik heb de bereidings zo eenvoudig mogelijk opgeschreven. Stapje voor stapje leer ik u door dit boek tientallen geliefde en bekende, soms minder bekende Indische hapjes en drankjes maken. Meer dan genoeg keuze voor bij een avondje gezellig ngobrollen ( klesse-bessen ) of voor zomaar een zomerse dag in de tuin.
Geschreven door Ciska Cress.