In den beginne was de lotusbloem
We drinken koffie op het terras van Café Lotus in Ubud, het kunstenaarsdorp op Bali en naast ons is een grote vijver met honderden lotusbloemen waartussen witte eenden zwemmen. De dieren hebben er geen idee van dat zij tussen bloemen doorzwemmen die voor de bevolking van Bali het symbool zijn voor de schepping van hun wereld.
In inwoners van Bali beschouwen de wereld als één grote lotusbloem of padma en op Bali ziet men dan ook overal op tempels, altaren en paleizengeschilderde en gebeeldhouwde vier- en achtbladige lotusbloemmotieven en ook de bloemoffers die dagelijks als kleine kunstwerkjes worden gemaakt, hebben de vorm van een lotusbloem. Het belangrijkste heiligdom van Bali is de pura (tempel) Besakih, op de helling van de Gunung Agung. Het tempelcomplex bestaat uit een groot aantal schrijnen, pagodes en grotere en kleinere tempels. Op alle bouwsels treffen we de lotusbloemmotieven aan, waarbij de lotustroon of dadmasana, bestemd voor de oppergod Siwa, de zonnegod, centraal staat. Tijdens het grote jaarlijkse tempelfeest van Besakih, dat één maand duurt, komen tienduizenden eilandbewoners naar de lotustroon voor gebed.
De leegte als oorsprong
Op Bali speelt de lotusbloem een grote rol bij de ideeën over het ontstaan van de wereld. De achterliggende gedachte is het volgende Balinese scheppingverhaal. In den beginne was er niets anders dan de god ‘leegte’ (Sanghyang widi) die, omdat hij zich eenzaam voelde, nakomelingen wilde hebben. Uit de verschillende delen van zijn lichaam groeiden zes nakomelingen. Sanghyang Widi verzocht zijn oudste vier zonen de wereld te scheppen, maar deze zeiden dat zij daartoe niet in staat waren, waarop hij zo kwaad werd dat hij hen veranderde in een duivel, een tijger, een slang en een krokodil en ze werden in de vier windrichtingen verbannen. De jongste zoon en de enige dochter gehoorzaamden hun vader wel en zij ontvingen van hem de namen Siwa en Uma.
Door het vertrek van de vier broers was er een lege ruimte ontstaan in de vorm van een lotus en Siwa nam op de lotustroon plaats, nam de gedaante aan als zonnegod en verlichtte met zijn stralen het heelal. Daarna schiep hij de heilige rivier Gangga en samen met zijn zuster de hemel, aarde, zon, maan en sterren. Vervolgens smolten Siwa en Uma samen tot één god, half man, half vrouw. Vanuit die goddelijke gedaante, zittend op de lotustroon, werden mensen, bomen, planten, dieren en bergen geschapen. De Balinees ziet daarom de lotusbloem als heilige bloem van waaruit alles en iedereen zijn oorsprong vindt.
De kei als oorsprong
‘In den beginne was er niets, behalve een grote kei’, zo begint het scheppingsverhaal bij de dusun op Noord-Kalimantan. De kei vormde de oorsprong waaruit twee figuren tevoorschijn kwamen, een met het lichaam van een man, de andere dat van een vrouw. De man, Kinohoingan, was van plan de zon, maan, sterren en ook de aarde te scheppen en deelde zijn plannen mee aan de vrouw Sinumundu.
Om goed over zijn plannen te kunnen nadenken, besloot de man de eenzaamheid op te zoeken en hij verliet de vrouw. Deze vatte daarna het plan op om zelf de ideeën van de man uit te voeren en zij schiep de zon als een geweldig groot vuur, de hemel en de aarde.. Toen zij echter bezig was om van klei mensen te scheppen, kwam haar man terug die in woede ontstak en haar vervloekte. Hij nam de kleipoppen en slingerde ze weg, waardoor er stukken klei van afbraken die tegen de hemel terecht kwamen en er bleven hangen. Zo ontstonden de sterren. Eén meisjesbeeld van klei bleef heel en dat werd de maan. De vrouw slaagde erin enkele kleifiguren uit handen van de man te redden en die figuren werden de stamhoofden van de dusun.
Tot op de dag van vandaag zijn er mensen in Noord-Kalimantan die heilig geloven in de mythe van de ontstaansgeschiedenis van de aarde uit klei.