WARINGINBOOM
Lang geleden regeerde over één van de grootste en machtigste rijken van Java een vorst, Kemusan Dinadja geheten. Hij had vele kinderen bij vele vrouwen. De oudste zoon Djamodjaja was een knappe en sterke jongeling die de oude vorst na diens dood zou opvolgen.
De tweede vrouw van de vorst, de mooie Dewi Andana was zeer afgunstig op hem omdat zij graag wilde, dat háár zoon, Raden Sudiman, later de troon zou bestijgen. Daarom probeerde zij met de liefste woordjes en al haar verleidelijke charme, de vorst er toe te bewegen om diens oudste zoon te verbannen naar het verre en woeste gebergte.
De oude vorst bezweek voor haar charme, die gepaard ging met zoete woordjes en liefkozingen en hij beloofde haar te doen wat zij hem vroeg.
Toen Djamodjaja vernam dat zijn vader hem uit zijn rijk wilde verbannen, werd hij zeer bedroefd, maar zijn vader verzekerde hem dat het voor zijn eigen bestwil was, daar hij wist, dat vele lieden in het rijk hem naar het leven stonden.
Dewi Andana had echter niet veel vertrouwen in de belofte van de vorst; bovendien vreesde zij, dat na diens dood, Djamodjaja toch nog eens uit zijn verbanningsoord terug zou komen om aanspraak te maken op de troon.
De avond voordat Djamodjaja moest vertrekken sloop zij daarom heimelijk diens slaapvertrek binnen en goot enkele druppels van een zwaar, maar langzaam werkend vergif in de kostbare gendi, die naast het bed van de prins stond en waarin water zat dat hij iedere avond placht te drinken voor hij zich ter ruste begaf. Ook die avond dronk de prins het water uit de gendi, maar toen hij de volgende morgen ontwaakte, voelde hij zich wat loom en duizelig.
Op weg naar het verbanningsoord werd hij slechts door zijn gemalin, de schone Dewi Kesuma, vergezeld. Hij was er eigenlijk op tegen dat ze meeging.
“Ik heb liever niet dat je meegaat, vrouw” protesteerde hij. “Waar zullen wij immers van moeten leven in het gebergte?” Maar zij antwoordde: “Ik wil u volgen mijn prins, ook al zou ik er mijn voeten bij moeten verwonden. Wij kunnen ons voeden met de vruchten in het woud en onze dorst lessen met het water uit een bron, die wij in het gebergte zeker zullen vinden”.
Maar onderweg voelde de prins zich steeds zieker worden, totdat hij op een gegeven moment niet verder kon en op de grond in elkaar zakte. “Mijn lieve Kesuma” stamelde hij “ik sterf….”. Het arme prinsesje knielde geschrokken bij hem neer. Zij werd radeloos van verdriet toen zij zag dat haar gemaal stervende was en ze smeekte de goden, om haar man te redden. En uit de godenhemel daalde toen de god Kama Djaja, de beschermer van gehuwden. En toen Dewi Kesuma hem zag, omgeven door een vreemd helder licht, smeekte ze nogmaals “Machtige Kama Djaja, gij die huwelijken zegent en beschermt, geef mijn lieve man het leven weer”. Maar de god Kama Djaja keek heel bedroefd, want hij kon de dode niet meer tot leven wekken. “Een boze hand heeft hem vergiftigd” sprak hij. “En een hogere macht kan meer uitwerking van dat vergif vernietigen. Maar ik kan uw man wel laten voortleven, niet als een mens, maar wel als een boom. Als een schone krachtige boom zal hij hier op deze plek staan”.
Toen zag Dewi Kesuma hoe het dode bijna verstijfde lichaam van haar man zich oprichtte met uitgestrekte armen en zijn lange zwarte haren vielen als dunne tressen over zijn schouder tot aan de grond. Ze zag hoe zijn hele lichaam en zijn armen met schors werden bedekt en uit zijn armen ontsproten mooie, groene bladeren. De lange op de grond hangende tressen kregen een grauwe kleur en zijn voeten verzonken in de aarde en werden de aardwortels van een vreemde, mooie boom.
Dewi Kesuma sloeg snikkend haar armen om de boom en drukte haar gelaat tegen de ruwe stam. “Wat heb ik aan zo’n zielloze boom?” schreide ze. Toen sprak de god Kama Djaja weer tot haar. “Deze boom is niet zielloos. Hij is heilig en iedereen zal het “de heilige waringin” noemen want heilig zal hij zijn en blijven. Hij zal zijn zaden verspreiden over heel Java en uit ieder zaadje zal een trotse fiere boom groeien. Zij zullen overal uit de grond komen, zelfs in de kleinste desa’s. De waringin zal de heilige offerboom worden van allen, die op Java wonen. Zij zullen er de offers aan de goden neerleggen. In zijn schaduw zullen zij rusten wanneer zij vermoeid zijn en luisteren naar het geritsel van de bladeren. Kinderen zullen spelen, daar, waar een heilige waringin staat en jongelieden zullen hun zoete liefde geheimen toefluisteren aan zijn stam. En wee degene, die zijn slaven durft te bevelen, de heilige waringin te vellen. Ziekte en onheil zullen dan over diens kinderen komen”.
Toen de god Kama Djaja dit alles had gezegd, verdween hij weer naar de godenhemel, de schone Dewi Kesuma diep bedroefd achterlatend. Met haar armen om de stam van de waringin heen geslagen en haar hoofdje er tegenaan gedrukt, sliep zij tenslotte in voor eeuwig. Haar lichaam veranderde in een bron, waaruit kristalhelder water borrelde, terwijl haar ziel in de godenhemel werd opgenomen.
En overal op Java kan men de waringinboom zien staan, fier en majestueus en met de geur van het heilig zijn, omhuld.
Annie Nelissen-Havinga